“Uit de Cito-toets was naar voren gekomen dat ik iets met techniek zou moeten doen, maar op de MTS bleek ik hartstikke atechnisch te zijn. Toen op 15-jarige leeftijd een klasgenoot van me aan kanker overleed, wist ik dat ik iets in het ziekenhuis wilde gaan doen.
In september 1979 startte ik als leerling-verpleegkundige bij het Sint Jans Gasthuis. Op mijn eerste dag kreeg ik het advies om de patiënten niet te laten merken dat ik nieuw was. ‘Zeg maar dat je van een andere afdeling komt’. Ik kwam binnen en achter in de hoek lag een langligger met z’n been in een zweefrek. Die kende iedereen en zag meteen dat ik nieuw was. Nog voor ik wat kon doen, schreeuwde hij over de afdeling in plat Amsterdams: ‘Let maar niet op hem hoor, opa. Hij doet het voor het eerst vandaag!’
Ik ging aan het werk op de recovery-afdeling. Die hele tak van de zorg was nog volop in ontwikkeling. Nu is recoveryverpleegkunde een hbo-opleiding, maar in mijn tijd leerde ik de postoperatieve zorg via een cursus aan de VU.”
Organen in een plastic zak
“Ik werk hier nu 43 jaar en de zorg is echt ontzettend veranderd! Neem een prothese van de aorta: lag een patiënt wel 8 tot 12 uur op de operatietafel, open van borstbeen tot schaamstreek. De darmen werden opzij gelegd en daar ging een plastic zak om tegen het uitdrogen. Inmiddels plaatsen we een stent via de lies en doen we er 3 tot 4 op een dag. Los van die enorme wond, was toen ook de voorbereiding op zo’n operatie heftig. Ik zou haast zeggen: mensonterend. Die patiënten kregen een lavement: via een maagsonde kregen ze liters vocht toegediend en zaten ze wel uren op de postoel. Zat ik gewoon een potje te kaarten met zo’n patiënt. Ik was dan voortdurend in de buurt om de emmer te legen, want als je er niet snel genoeg bij was, kon je gaan dweilen.”
Aan de borrel
“Er werd in het ziekenhuis nog volop gerookt. Als het koffiepauze was, veranderde de zusterspost in een rokerig hol met witte schimmen. We moesten wel de deur goed dicht houden, want anders zouden de patiënten er last van hebben. Ik herinner me een patiënt uit Volendam met diabetes. Hij lag in het ziekenhuis omdat hij moest worden ingesteld op de insuline. Doordat zijn bezoekers hem steeds van alles toestopten – gerookte paling, makreel en zoetigheid – duurde dat een eeuwigheid. Op een dag was hij het zat en werd vreselijk onrustig. Hij schreeuwde hij over de afdeling: ‘Ik word hier hellegaar gek!’ De hoofdzuster gaf mij toen de opdracht om hem maar even mee naar buiten te nemen. Zat ik op het terras van Keizerskroon met hem aan de borrel. In m’n witte pak, haha!”
Broeders en nonnen
“Ik was als broeder een van de weinigen tussen al die zusters. Wij mannen waren als het ware een opkomend ras en de nonnen een uitstervend ras, met als gemene deler dat er van beide meestal maar een per afdeling was. Als er ergens een tilklus was, werd ik er automatisch bij gehaald, omdat ik een man ben. Precies zo bij agressie. Ik weet nog dat een patiënt op de PAAZ – een boom van een vent - naar de isolatie moest. Toen hebben ze alle broeders opgetrommeld om die klus te klaren.
Of ik denk aan stoppen? Inmiddels wel, gezien mijn leeftijd. Maar niet vanwege het werk. Dat vind ik nog steeds prachtig. Waar de zorg vroeger wellicht wat extreem was in pappen en nathouden, zijn we nu weleens doorgeschoten naar de andere kant en sturen we mensen soms te snel naar huis. De zorg is erg gericht op behoud van leven, maar ik vind dat er wel wat vaker naar kwaliteit van leven gekeken mag worden. Het is goed dat daar steeds meer aandacht voor is.”

In de Dijklander Zomerserie ‘toen en nu’ vertellen een aantal Dijklanders over hun carrière binnen het ziekenhuis. De gemene deler: allemaal zijn zij al ten minste veertig jaar in dienst bij het ziekenhuis. Wat zijn de grootste verschillen tussen het werken toen en nu? En welke anekdotes zijn hen bijgebleven? In deze aflevering vertelt Peter Manshanden zijn verhaal. Peter startte in 1979 in het Sint Jans Gasthuis en werkt als recovery-verpleegkundige bij de OK. Daarnaast is hij voorzitter van de Personeelsvereniging en VIM-commissielid.